ad-Daddjaal, de Grootste FITNAH aller tijden

ad-Daddjaal is bekend bij de christenen als Antichrist. Hij is een mens, blind aan één oog, met zeer kroes haar en tussen zijn ogen staan de Arabische letters K, F, R, hetgeen betekent KAAFIR (=heiden, ongelovige). Hij zal vlak voor de terugkeer van cIesaa (Jezus)   -vrede zij met hem- op aarde verschijnen.Eerst zal hij zeggen dat hij een “gewone” moslim is, daarna dat hij een profeet is en uiteindelijk zal hij beweren dat hij God is. Zijn Fitnah (verleiding) is de Grootste aller tijden. Iedere Profeet heeft zijn volgelingen tegen hem gewaarschuwd, hoewel Allah zeker weet dat hij pas na de komst van de Profeet Mohammad (vrede en zegening zij met hem) zal verschijnen.

Hij zal door de hele wereld -behalve Mekka en Medina- in veertig dagen reizen; drie van deze dagen zullen respectievelijk gelijk zijn aan één jaar, één maand en één week en de rest zullen gewone dagen zijn.Volgens authentieke overleveringen van de Profeet (vrede en zegening zij met hem) zullen de ongelovigen, vooral Joden en Moenaafiqoen (hypocrieten: mensen die doen alsof ze moslim zijn alleen om moslims te misleiden en te bedriegen) in hem geloven en hem volgen.

Moslims moeten afstand van hem nemen en moeten niet bedrogen worden door zijn “buitengewone” daden. ad-Daddjaal zal in gezelschap zijn van vuur en water. Een moslim moet juist het vuur kiezen, want dat wat vuur lijkt is koud zoet water en dat wat water lijkt is een brandend vuur. ad-Daddjaal is blind aan één oog en onze Heer kan nooit blind zijn. En als iemand hem ziet, moet hij de eerste tien aayah’s van Soerat al-Kahf (soerah 18) lezen, dan zal hij hem geen kwaad kunnen doen; het is dus aan te raden om deze aayah’s uit het hoofd te leren en steeds te herhalen, wie weet zullen ze ooit een bescherming voor jou zijn! cIesaa (vrede zij met hem) zal hem doden in Bab Lud, een stad in Palestina ten westen van al-Qoeds (Jerusalem), die in 1948 werd bezet. Moge Allah ons allemaal behoeden tegen Fitnatud-Daddjaal.

Voor meer over ad-Daddjaal, zie Riyaadh as-Saalihien van al-Imaam an-Nawawie (blz 612-618).