De geloofsgetuigenissen

De twee geloofsgetuigenissen; de getuigenis dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de Boodschapper van Allah is, zijn de sleutel tot de Islam.

 

De Islam wordt niet binnengetreden, behalve aan de hand van hen beide. Vandaar dat toen de Profeet (vrede zij met hem) Moecaadh ibnoe Djabal naar Jemen stuurde, hij hem opdroeg om haar inwoners allereerst uit te nodigen naar de getuigenis dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah.

 

Wat betreft de eerste getuigenis, namelijk dat er geen god is dan Allah, men dient met zowel tong als hart te erkennen dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah, want ‘god’ staat voor een aanbedene die aanbeden wordt. Het betekent dus dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah, alleen.

Deze zin bestaat uit een ontkennend deel en een bevestigend deel. Wat betreft de ontkenning, dit is terug te vinden in het gedeelte ‘er is geen god’. En de bevestiging is te vinden in het gedeelte ‘behalve Allah’. Het staat dus voor het bevestigen met de tong, nadat het hart hier allereerst van overtuigd is geraakt, dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah.

Dit veronderstelt dus volledige toewijding van de aanbidding aan Allah alleen en een ontkenning van het aanbidden van een ander dan Hem.

 

Wanneer wij ervan uit gaan dat het hier gaat om het woord ‘recht’ dat wordt weggelaten, dan biedt dit uitkomst voor de volgende vraagstelling die door vele mensen wordt voorgelegd, namelijk: “Hoe kunnen jullie zeggen dat er geen god is dan Allah, terwijl er andere goden zijn die aanbeden worden naast Allah en die door Hem als zodanig worden genoemd?”

Zo zegt Allah:

“En hun goden die zij naast Allah aanriepen, baatten hen niets toen het bevel van jouw Heer kwam. En zij deden hen slechts meer vernietiging toekomen.”

(Soerat Hoed: 101)

Ook zegt Hij, de Verhevene:

“En neem geen andere god naast Allah.”

(Soerat al-Israa’: 39)

En Hij zegt:

“En roep geen andere god aan naast Allah.”

(Soerat al-Qasas: 88)

Hoe is het dan mogelijk dat wij zeggen: “Er is geen god dan Allah”, terwijl het vaststaat dat godheid toegekend wordt aan anderen dan Allah? En hoe kunnen wij goddelijkheid toekennen aan anderen dan Allah, terwijl de Boodschappers van Allah tegen hun volkeren zeiden:

“Aanbidt Allah, voor jullie is er geen andere god dan Hij.”

(Soerat al-Acraaf: 59)

Het antwoord op dit dilemma is als volgt. De werkelijke betekenis van de eerste getuigenis is als volgt; ‘er is geen ware god dan Allah’. Wij zeggen dus dat deze goden die buiten Allah aanbeden worden weliswaar met de term ‘god’ worden aangeduid, maar in werkelijkheid valse goden zijn die geenszins aanspraak kunnen maken op goddelijkheid. Zo zegt Allah:

“Dat is zo omdat Allah de Waarheid is en omdat wat zij naast Hem aanroepen de valsheid is. En omdat Allah, de Verhevene, de Grootste is.”

(Soerat Loeqmaan: 30)

Wat hier ook op duidt, zijn de volgende Woorden van Allah:

“Zien jullie (veelgodenaanbidders) dan al-Laat en al-cOezzah en al-Manaat, de andere, de derde? Zijn voor jullie de mannen en voor Hem de vrouwen? Dat zou een oneerlijke verdeling zijn. Het zijn alleen maar namen die jullie hebben verzonnen, jullie en jullie vaderen. Allah heeft daarvoor geen gezag neergezonden.”

(Soerat an-Nadjm: 19-23)

En:

“Datgene wat jullie naast Hem aanbidden, zijn slechts namen die jullie en jullie vaderen hebben verzonnen. Allah heeft hiervoor geen gezag neergezonden.”

(Soerat Yoesoef: 40)

Concluderend kunnen wij zeggen dat de eerste geloofsgetuigenis het volgende betekent: niets of niemand heeft het recht aanbeden te worden, behalve Allah. En alles wat naast Hem aanbeden wordt, ongeacht of het hier nu gaat om boodschappers, engelen, awliyaa’, stenen, bomen, de zon, de maan of iets anders, is vals. De enige ware aanbedene is Allah.