0085. Abu ‘Amr – of Abu ‘Amra ibn Sufyan ibn ‘Abdillah volgens anderen – heeft gezegd:

Ik vroeg: “O Boodschapper van Allah (sallaAllahu ‘alayhi wa salam)! Leer mij woorden op het vlak van de islam waarover ik iemand anders dan jou niet meer hoef te ondervragen.” Hij antwoordde: “Zeg: Ik geloof in Allah” en handel vervolgens in alle rechtschapenheid.”

(Muslim)

 

Commentaar:

  • Deze hadith bevat in weinig woorden veel voordelen. Het houdt verband met het vers: “Voorwaar, zij die zeggen: “Onze Heer is Allah” en die vervolgens op de rechte weg blijven. (Koran 41/30 en 46/13)
  • Rechtschapenheid houdt in dat we ons houden aan de voorschriften van de islam. ‘Umar ibn al-Khattab heeft gezegd: “Rechtschapenheid houdt in dat je de voorschriften naleeft en afstand neemt van de verboden en dat je niet sluw als een vos bent.”
  • Beweren dat je gelovig bent zonder daden te verrichten, is een zuivere hypothese, want de daden zijn wel degelijk de vrucht van een diepgeworteld geloof.
  • Rechtschapenheid is een hoge graad die een teken van een diep geloof en van een edele ambitie is.

0086. Abu Hurayra levert de volgende woorden van de Boodschapper van Allah (vzmh) over:

“Nader (Allah) en getuig van rechtschapenheid. Weet ook dat niemand van jullie zal gered worden enkel door zijn daden.” Ze zeiden: “Zelfs jij niet, Boodschapper van Allah?” De Profeet antwoordde: “Zelfs ik niet, behalve als Allah mij met Zijn barmhartigheid en Zijn genade omhult.”

(Muslim)

  • De geleerden hebben gezegd: “Rechtschapenheid houdt in dat je gehoorzaam bent aan Allah de Allerhoogste.”


Commentaar:

  • De beloning en de bestraffing worden niet beheerd door het verstand, enkel Allah is er de Waker over.
  • De genade van Allah over Zijn dienaren is groter dan hun eenvoudige daden en Allah is tot niets verplicht. Niemand zal enkel dankzij zijn daden het Paradijs betreden, maar het is de barmhartigheid van Allah die hem zal toestaan om het Paradijs te betreden.
  • De goede daden zijn een manier om het Paradijs te betreden, maar het zijn de genade van Allah, Zijn barmhartigheid en Zijn vergeving die de mens zullen toestaan om gered te worden. De gelovige moet daden verrichten en zijn Heer smeken om hem te omhullen met Zijn barmhartigheid. Al onze daden zijn onbeduidend tegenover de gunsten waarmee Allah ons overladen heeft. Ze zullen enkel waarde hebben als we beschikken over een standvastige hoop op Allah, als we oprecht zijn en ons volledig aan Hem onderwerpen.