05.Het verbod op nieuwlichterij (Bid'a)

De moeder der gelovigen, Oem Abdullah Aa’ishah overlevert dat de Boodschapper van Allah - vrede zij met hem - zei:

 

“Wie iets toevoegt aan deze zaak van ons wat hiertoe niet behoort, het zal verworpen worden.” 

(Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

                                         

             

In de versie van Moeslim:

 

“Wie een daad verricht die niet in overeenstemming is met onze zaak, het zal verworpen worden.”

 

 

Uitleg

 

De geleerden hebben over deze overlevering gezegd dat het de maatstaf is voor de uiterlijke daden. De overlevering van Omar ibnoe al-Khattaab - de eerste van dit verzamelwerk - waarin hij overlevert: “Voorwaar, de daden worden beoordeeld op basis van de intentie,” dient als maatstaf voor de innerlijke daden. Want elke daad heeft een intentie en een uitvoering. De uitvoering is het uiterlijk van de daad en de intentie is het innerlijk ervan.

 

 

Wat leert deze overlevering ons?

 

·         Eenieder die iets toevoegt aan deze zaak - oftewel de Islam- wat daartoe niet behoort, dit zal nooit en te nimmer van hem geaccepteerd worden, ook al is zijn intentie nog zo goed. Hieruit kunnen wij dus opmaken dat alle vormen van bid'a ontoelaatbaar en onaanvaardbaar zijn, al is de intentie goed.

 

·         Iedereen die een goede daad verricht, maar deze niet volgens de Islamitische voorschriften nakomt, zijn daad zal verworpen worden ook al vindt deze daad zijn oorsprong in de Islam. Dit op basis van de tweede overlevering van imam Moeslim. Zo wordt bijvoorbeeld een kooptransactie die niet aan de Islamitische voorschriften voldoet, nietig verklaard en zo ook het verrichten van optionele gebeden zonder enige reden op verboden tijden en het vasten op de 'Ied-dagen. Dit omdat al deze daden niet in overeenstemming zijn met het Bevel van Allah en Zijn Boodschapper - vrede zij met hem - en daardoor als nietig en verworpen worden beschouwd.