De Profeet Moesa

In het land van Egypte waar eens de kinderen van Ibrahiem, Yaqoeb en Yoesoef (´aleihim salaam) woonden, was een slechte Farao. Op een dag gaf de Farao het bevel dat alle babyjongetjes gedood moesten worden. Hij gaf dit bevel omdat hij wilde dat er later niet iemand zou komen met meer macht dan hijzelf. In deze gevaarlijke tijd werd Moesa (´aleihi salaam) geboren. Allah stuurde de moeder van Moesa (´aleihi salaam) een boodschap; zij moest de kleine Moesa (´aleihi salaam) in een mandje doen en hem in de rivier zetten. Op deze manier zou Moesa (´aleihi salaam) aan de soldaten van de Farao ontsnappen. Het mandje met het kindje erin werd gevonden door de vrouw van de Farao. Zij was een hele aardige en lieve vrouw, en ze was moslim. Zij nam Moesa (´aleihi salaam) mee naar het paleis. Niemand wist wie de ouders van de baby waren, maar de vrouw van de Farao wilde hem houden, dus zij zocht naar een pleegmoeder voor Moesa (´aleihi salaam) om hem te verzorgen. Allah wilde het zo dat de moeder van Moesa (´aleihi salaam) naar het paleis werd gebracht zodat zij gekozen werd om voor Moesa (´aleihi salaam) te zorgen. Dus het leven van Moesa (´aleihi salaam) was gered en door de hulp van Allah was hij ook teruggegeven aan zijn moeder.


Moesa (´aleihi salaam) groeide op in het paleis van de Farao en hij kreeg de beste leraren om hem les te geven, hierdoor werd hij heel slim. Toen Moesa (´aleihi salaam) ouder was verliet hij het land van de Farao om op reis te gaan. Onderweg kwam hij langs een waterput waar de herders water aan de schapen gaven. Moesa (´aleihi salaam) zag daar twee vrouwen die ook hun schapen water wilden geven. Maar ze konden niet bij de put komen voordat de andere herders weggingen. Moesa (´aleihi salaam) hielp hen met water te geven aan hun schapen en toen zij thuis kwamen vertelden ze aan hun vader wat er gebeurd was. Hij stuurde een van zijn dochters terug naar Moesa (´aleihi salaam) om hem bij hen thuis uit te nodigen. Later trouwde Moesa (´aleihi salaam) met één van de dochters. Moesa (´aleihi salaam) leefde gelukkig met zijn familie en de oude vader bij de waterput.


Een paar jaar later toen Moesa (´aleihi salaam) met zijn familie op reis was in het land, zagen ze een heel groot vuur. Hij zei tegen zijn familie dat ze moesten blijven waar ze waren en hij ging uitvinden waarom er zo'n groot vuur was. Toen Moesa (´aleihi salaam) bij het vuur kwam, hoorde hij een stem. De stem zei: 'O Moesa (´aleihi salaam), Ik ben Allah, jouw Heer. Ik ga jou Mijn Profeet maken. Jij moet de mensen gaan vertellen dat er maar één God is, dat is Allah Die hen gemaakt heeft. Dus zij moeten dankbaar zijn en alleen tot Allah bidden en goede dingen doen. Neem jouw broer Haroe mee naar de Farao en zijn mensen en vertel hen over Mijn Boodschap.'


Moesa (´aleihi salaam) ging naar Egypte en zei tegen de Farao: 'Allah, Die de Heer van de werelden is, heeft me naar jou gestuurd. Ik ben de Boodschapper van Allah en ik breng jou de waarheid. Je moet de kinderen van Yoesoef bevrijden, die onderdrukt worden in dit land en hen met mij mee laten gaan.' Toen de Farao dit hoorde werd hij heel erg boos en hij schreeuwde: 'Jij liegt! Niemand behalve ik, de geweldige Farao van Egypte is de heer van de wereld. Ik ben de machtigste koning op aarde. Jij moet wel gek zijn om zoiets te zeggen. Als jij ongehoorzaam bent tegen mij dan zal ik je in de gevangenis gooien!'


Maar Moesa (´aleihi salaam) was niet bang voor de Farao. Hij zei: 'Met de hulp van Allah zal ik je laten zien dat Allah veel machtiger is dan alle mannen en ook veel machtiger dan jij.' Moesa (´aleihi salaam) nam toen zijn wandelstok en gooide deze op de grond. De stok veranderde in een slang. De Farao zei toen: 'Het is duidelijk dat jij een tovenaar bent. Ik zal alle tovenaars in mijn land bij elkaar roepen en dan zullen we wel zien wie beter kan toveren, jij of zij.'


Dus alle tovenaars kwamen naar het paleis van de Farao. Ze hadden een heleboel stokken bij zich en zij veranderden ze allemaal in slangen. Maar toen gooide Moesa (´aleihi salaam) zijn stok op de grond en weer veranderde zijn stok in een slang, een hele grote slang. De slang at alle andere slangen op. De tovenaars waren helemaal onder de indruk en ze zeiden: 'Wij geloven echt in Allah, Hij heeft Moesa (´aleihi salaam) gestuurd als Zijn Profeet. Allah is echt veel en veel machtiger dan wij allemaal bij elkaar.' De Farao was heel erg boos en hij schreeuwde: 'Jullie willen in iets geloven voordat ik jullie toestemming geef om erin te geloven? Als straf worden al jullie handen en voeten afgehakt!' De tovenaars zeiden: 'Jij wilt wraak op ons nemen omdat we in de tekenen van Allah geloven? Wat je ook met ons doet, wij blijven ons tot Allah keren. Moge Allah ons helpen om geduldig te blijven.' De tovenaars waren eerst gierige mensen geweest en nu waren ze goede mensen en trouwe dienaren van Allah.


Moesa (´aleihi salaam) ging naar de afstammelingen van Yoesoef, die heel erg onderdrukt waren door de Farao en hij zei tegen hen: 'We zullen weggaan uit Egypte.'Maar nadat ze vertrokken waren gingen de soldaten van de Farao achter hen aan om hen weer op te halen. Moesa (´aleihi salaam) en zijn mensen probeerden nu sneller weg te komen en ze kwamen bij de zee aan. Maar de Farao en de soldaten hadden hen al bijna ingehaald en de mensen werden heel erg bang. Allah hielp hen en Hij deelde de zee in tweeën zodat Moesa (´aleihi salaam) en zijn mensen door het midden konden lopen en zo aan de overkant van de zee konden gaan. Toen de Farao en zijn soldaten bij de zee aankwamen, wilden ze Moesa (´aleihi salaam) natuurlijk achterna gaan. Maar ze konden Moesa (´aleihi salaam) en zijn mensen niet bereiken voordat die al aan de andere kant waren. En toen, opeens, terwijl de Farao en zijn soldaten nog op hun paarden Moesa (´aleihi salaam) achterna zaten, sloot de zee zich en verdronken Farao en zijn soldaten allemaal. Allah had Moesa (´aleihi salaam) en zijn mensen dus gered, omdat zij alleen Allah aanbaden. En de Farao die weigerde om in Allah te geloven en die heel erg trots was en die zelfs dreigde om Moesa (´aleihi salaam) in de gevangenis te gooien, was nu verdronken.


Na hun ontsnapping liepen Moesa (´aleihi salaam) en zijn mensen voor vele jaren door de woestijn. Op een dag kreeg Moesa (´aleihi salaam) het bevel om een hoge berg te beklimmen. Moesa (´aleihi salaam) moest daar veertig dagen en veertig nachten blijven en daar bidden tot Allah en luisteren naar wat Allah hem en zijn mensen te vertellen had. Maar veertig dagen en nachten begonnen wel heel lang te duren voor de mensen van Moesa (´aleihi salaam) die alleen achter bleven en ze werden ongeduldig. Ze besloten om een kalf van goud te maken en dat te aanbidden.


Toen Moesa (´aleihi salaam) terug kwam van de berg en hij de gouden kalf zag, werd hij heel erg boos. Hij maakte het gouden kalf kapot en hij sprak zo tegen de mensen dat ze zich schaamden. Hij leerde hen dat ze nooit iets naast Allah moeten aanbidden. Moesa (´aleihi salaam) had een Boek meegenomen dat hij van Allah had gekregen toen hij op de berg was. Dit boek heette de Taurat. In de Taurat stond wat de mensen niet moesten doen. Ze moesten nooit iets aanbidden naast Allah aanbidden. Ze moesten nooit iemand die bij hen hoort doden. Ze moesten nooit iets pakken wat niet van hen is. Ze moesten vriendelijk zijn tegen elkaar en hun ouders. De mensen van Moesa (´aleihi salaam) begrepen nu dat ze heel erg ondankbaar waren geweest tegenover Allah, want Hij had hun gered toen de farao en zijn soldaten hen achterna zaten. Ze baden tot Allah en bedankten Hem voor alles wat Hij voor hen had gedaan. Ze vroegen om Zijn vergiffenis en ze beloofden om altijd te streven om goede dingen te doen. Allah vergeeft de mensen die zich schamen voor de slechte dingen die ze hebben gedaan en bereid zijn om hun gedrag te verbeteren en zich tot Allah te keren.


Wij moslims kunnen veel van dit verhaal leren. Om onszelf te herinneren aan het verhaal van Moesa en om Allah te laten zien dat we dankbaar zijn, vasten veel moslims elk jaar op de tiende dag van de maand Moeharram. Dit was de dag waarop Allah Moesa en zijn volk redde van Firaun. Deze dag noemen we Asjoera en onze Profeet Mohammed (sallallahoe ´aleihi wa sallem) heeft gezegd dat we veel zegeningen krijgen als we deze dag vasten.