Iemand met kerst fijne feestdagen wensen?

Is het toegestaan om een ongelovige te feliciteren met kerstmis? En hoe dienen wij te reageren wanneer zij ons hiermee feliciteren? Is het daarnaast toegestaan om plekken te bezoeken waar kerst wordt gevierd, ook al doe je dit bijvoorbeeld uit vriendelijkheid?

Antwoord:
Alle lof zij Allah en vrede en zegeningen zij met Zijn Profeet, diens familie en metgezellen.

Het feliciteren van de ongelovigen met kerstmis of andere van hun religieuze feestdagen is verboden. Ibn ul-Qayyim vermeldt in zijn boek ‘Ahkaam Ahl udh-Dhimmah’ dat hieromtrent consensus bestaat. Hij zegt: “Anderen feliciteren met niet-islamitische rituelen die specifiek tot hun rituelen behoren, is verboden. Hierover bestaat consensus. Een voorbeeld hiervan is dat men hen feliciteert met hun (religieuze) feestdagen of hun vasten, zeggende: “Prettige feestdagen” of iets dergelijks. Het hiervoor feliciteren van de ongelovige is verboden. Dit is alsof men iemand feliciteert met zijn neerknieling voor het kruis. En dit is nog erger dan dat men anderen feliciteert met het begaan van grote zonden, zoals het plegen van overspel.

Vele mensen die geen waarde hechten aan het geloof vervallen hierin en kennen de aversie hiervan niet. Degene die een ander dus feliciteert vanwege het feit dat deze een zonde, innovatie of ongeloof begaat, heeft zich blootgesteld aan de Woede van Allah.”

Het feliciteren van de ongelovigen met hun religieuze feestdagen is dus verboden. Mede omdat dit een bevestiging en erkenning is van hun heidense rituelen. Daarnaast wek je dan de indruk dat je instemt met hun heidense feestdag. Ondanks dat je zelf niet in ongeloof wil vervallen, is het alsnog niet toegestaan om heidense rituelen te erkennen en anderen hiermee te feliciteren. Dit omdat dit Allah niet behaagt. Zo zegt Hij, de Verhevene (interpretatie van de betekenis):
“Als jullie niet geloven, voorwaar Allah is Zichzelf genoegzaam. Het ongeloof van zijn dienaren behaagt Hem niet, maar wanneer jullie dankbaar zijn, dan heeft Hij behagen in jullie.”
(Soerat az-Zoemar: 7) 

“Vandaag heb ik jullie godsdienst voor jullie vervolmaakt en heb Ik Mijn Gunst voor jullie volledig gemaakt en heb Ik de Islam voor jullie als godsdienst gekozen.”
(Soerat al-Maa’idah: 3)

Hen hiermee feliciteren is dus verboden, ongeacht of het hier collega’s betreft. Wanneer men hiermee gefeliciteerd wordt, dan dient men hier niet op in te gaan. Dit omdat dit niet tot onze feestdagen behoort. Daarnaast betreft het een feestdag die Allah niet tevreden stemt. Al gaat het hier om een geïnnoveerde feestdag of een voorgeschreven feestdag. De voorgaande Hemelse Wetgevingen zijn met de komst van de Islam namelijk opgeheven. Het geloof waarmee Mohammed is gekomen naar de algehele mensheid. Zo zegt Allah:
“En wie een andere godsdienst dan de Islam zoekt: Het zal niet van hen aanvaard worden en hij behoort in het Hiernamaals tot de verliezers.”
(Soerat Aali 'Imraan: 85)

Wanneer een moslim wordt uitgenodigd naar één van deze gelegenheden, dan is het niet toegestaan om hier gehoor aan te geven. Dit is nog erger dan hen hiermee feliciteren, omdat hij dan deelneemt hieraan.

Het imiteren van ongelovigen gedurende dit soort feestdagen is eveneens ten strengste verboden. Het uitwisselen van cadeaus, het uitdelen van snoepgoed en dergelijke valt hier ook onder. De Profeet (vrede zij met hem) zegt hieromtrent: “Wie een volk imiteert, behoort tot hen.”
(Aboe Daawoed en authentiek bevonden door Sheikh al-Albaani)

Sheikh ul-Islaam Ibn Taymiyyah zegt in zijn boek Iqtidaa’ Siraat al-Moestaqiem: “Hen imiteren in hun (religieuze) feestdagen zal ertoe leiden dat de harten zich zullen verenigen op valsheid.”

Iemand die iets van bovenstaande zaken verricht is dus zondig. Ongeacht of dit nu gebeurt uit genegenheid, vriendelijkheid, schaamte of wat dan ook. Dit behoort namelijk tot vleierij van een vals geloof. Daarnaast doet men hiermee dat geloof schitteren.

Wij vragen Allah om de moslims trots te schenken middels hun geloof en hun standvastig hierop te maken.

Sheikh Mohammed ibnoe Saalih al-'Oethaymien
(Madjmoe' ul-Fataawaa ibn ul-'Oethaymien: boekdeel 3, blz. 44)