Zijn de Hel en het Paradijs op dit moment al aanwezig?

Vraag:

 

Zij de Hel en het Paradijs op dit moment al aanwezig?

 

Antwoord:

 

Alle lof zij Allah en vrede en zegeningen zij met de Profeet, zijn familie en zijn metgezellen.

 

Ja, de Hel en het Paradijs zijn beiden op dit moment aanwezig. Het bewijs hiervoor is zowel te vinden in de Koran als in de Soennah. Het bewijs in de Koran is waar Allah over de Hel zegt (interpretatie van de betekenis):

 

“En vreest de Hel die voor de ongelovigen is klaargemaakt.”

(soerat Aali-cImraan: 131)

 

Het bewijs in de Koran over de aanwezigheid van het Paradijs is te vinden in de volgende uitspraak van Allah (interpretatie van de betekenis):

 

“En haast jullie naar vergeving van jullie Heer en (naar het) Paradijs, dat net zo wijd is als de hemelen en de aarde, gereedgemaakt voor de godvrezenden.”

(soerat Aali-cImraan: 133)

 

Het bewijs uit de Soennah hierover is de overlevering die zowel in al-Boechaari als in Moeslim vermeld staat, alsook in vele andere overleveringen, betreffende het verhaal van de zonsverduistering. De Profeet (vrede zij met hem) stond op voor het gebed van de zonsverduistering. Op dat moment werden het Paradijs en de Hel aan hem gepresenteerd. Eerst werd het Paradijs aan hem getoond. Het was zo werkelijk dat hij (vrede zij met hem) de neiging had een druiventros te plukken van een boom die hij voor zich zag. Vervolgens bedacht hij zich en liet het na deze tros te plukken.

 

Daarna zag hij (vrede zij met hem) de Hel voor zich waarin hij cAmr ibnoe Loehayy al-Khoezaciy die zijn ingewanden aan het meeslepen was, omdat hij de eerste was die Shirk introduceerde onder de Arabieren.

 

Verder zag hij (vrede zij met hem) een vrouw die bestraft werd met het Vuur, vanwege een kat die zij opsloot totdat het doodging. Zij voedde de kat niet, noch liet zij het los om van de ongedierte van de aarde te eten.

 

Dit zijn bewijzen die duiden op de aanwezigheid van de Hel en het Paradijs en dat zij op dit moment aanwezig zijn.

 

Sheich Mohammed ibnoe Saalih al-cOethaymien

(Al-Fataawaa al-Moehimmah, blz. 121)