Een raam boven het graf van de Profeet?

Vraag:

 

Kunt u gedetailleerd antwoorden op de overlevering van cAa’ishah waarin zij ten behoeve van regen opdracht geeft om een raam te openen bij het graf van de Profeet (vrede zij met hem)?

 

Antwoord:

 

Alle lof zij Allah.

 

De overlevering waarnaar wordt verwezen, is overgeleverd door Aboel-Djawzaa’ ibn cAbdillaah die heeft gezegd: “De inwoners van Medina werden getroffen door ernstige droogte. Zij deden hun beklag bijcAa’ishah die zei: “Kijk naar het graf van de Profeet (vrede zij met hem) en maak een opening richting de hemel, zodat er geen versperring is tussen hem en de hemel.” Zij deden dit, waarna het regende tot de planten groeiden en de kamelen extreem dik werden. Dit jaar werd het jaar van de extreem dikke dieren genoemd.”

(Overgeleverd door ad-Daarimie in het hoofdstuk: “Hoe Allah zijn Profeet eerde na zijn dood.”)

 

Ad-Daarimie heeft gezegd: “Aboen-Noecmaan heeft ons overgeleverd, op gezag van Sacied ibn Zayd, op gezag van cAmr ibn Maalik an-Nakrie, op autoriteit van Aboel-Djawzaa’ Aws ibn cAbdillaah die heeft gezegd: ...en hij haalde de overlevering aan.”

 

Deze overlevering is zwak en niet authentiek. Sheikh al-Albaani verklaarde deze zwak en zegt in zijn boek at-Tawassoel (blz. 128): “Dit is een zwakke keten van overleveraars die om drie redenen niet als bewijs kan dienen:

 

1. Sacied ibn Zayd, de broer van Hammaad ibn Yazied, heeft enige zwakte. Al-Haafidh zegt betreffende hem in at-Taqrieb: “Hij is Sadoeq (waarachtig) maar verward.” Adh-Dhahabie zegt in ‘al-Miezaan’: “Yahya ibn Sacied zegt: “(Hij is) zwak.” As-Sacdiy zegt: “Het is geen bewijs; zij beschouwen zijn overleveringen als zwak.” An-Nasaa’ie en anderen zeggen: “Hij is niet sterk.” Ahmad heeft gezegd: “Er is niets mis met hem. Yahya ibn Sacied mocht hem niet.”

 

2. De overlevering is Mawqoef en stopt bij cAa’ishah. Deze overlevering wordt niet toegeschreven aan de Profeet (vrede zij met hem). Ook al zou het authentiek zijn, dan zou het niet gelden als bewijs. Dit omdat het kan vallen onder de noemer van rechtsvinding van de metgezellen die het goed of fout kunnen hebben. We zijn dus niet verplicht om dit te volgen.

 

3. Aboen-Noecmaan is Mohammed ibn Fadl die bekend staat als cAarim. Ondanks dat hij Thiqah (waarheidsgetrouw) is, werd hij aan het einde van zijn leven verward. Al-Haafidh Boerhaan ad-Dien al-Halabi vermeldde dit in “al-Ightibaat bi man roemiya bil-Ikhtilaat” en hij werd gevolgd door Ibn us-Salaah die hem vermeldde onder de (lijst van) verwarden in zijn boek “al-Moeqaddimah”. Hij zei: “De regelgeving betreffende hen is dat de overleveringen van degenen die van hen hebben geleerd, voordat zij verward raakten, kunnen worden geaccepteerd. Dit kan echter niet worden geaccepteerd van degenen die van hem hebben geleerd nadat hij verward is geraakt, of waarvan we niet weten of zij van hem hebben geleerd voor of nadat hij verward raakte.

 

Ik (al-Albaani) zeg: “Het is niet bekend of ad-Daarimie deze overlevering heeft gehoord voor hij verward raakte of erna. Het kan dus niet worden geaccepteerd en niet worden gebruikt als bewijs.

 

Sheikh al-Islaam ibn Taymiyah weerlegt al-Bakrie door te zeggen: “De overlevering van cAa’ishah betreffende het maken van een opening richting de hemel zodat de regen kan vallen (op het graf van de Profeet) is niet authentiek en zijn keten is niet (correct) bewezen. Van de zaken die bewijzen dat het vals is, is het feit dat gedurende het leven van cAa’ishah haar huis geen opening kende, maar het bleef zoals het tijdens het leven van de Profeet was; gedeeltelijk overdekt en gedeeltelijk open waardoor de zon naar binnen kon schijnen. Dit is bewezen van cAa’ishah in as-Sahiehayn. De Profeet (vrede zij met hem) was namelijk gewoon het cAsr gebed te verrichten als de zon in haar kamer scheen en de schaduw nog niet aanwezig was. De kamer bleef zo tot al-Walied ibn cAbd il-Malik de moskee uitbreidde toen hij gouverneur was. Hierdoor werden de kamers toegevoegd aan de moskee van de Profeet (vrede zij met hem). De kamer waarin de Profeet (vrede zij met hem) is begraven, werd ingelijfd in de moskee. Er werd om de kamer van cAa’ishah, waarin ook het graf van de Profeet zich bevond, een hoge muur gebouwd. Hierna werd een opening gemaakt zodat de mensen deze konden betreden als het noodzakelijk was om deze schoon te maken. Wat betreft de opening die gemaakt was gedurende het leven van cAa’ishah; dit is een duidelijke leugen.”

 

Ook kunnen we stellen dat de overlevering geen bewijs is voor hetgeen de extreme Soefies geloven. Zij geloven namelijk dat het toegestaan zou zijn te smeken om regen middels de hulp van Profeet Mohammed (vrede zij met hem). Nergens in de overlevering kan iets gevonden worden wat hierop duidt, hoe ver de fantasie ook reikt. Wat wel gezegd kan worden is dat het toont hoe Allah zijn Profeet eert na zijn dood, zoals ad-Daarimie beschrijft in zijn “Moesnad” waarin hij deze overlevering aanhaalt. Dit is een zegening van zijn zuivere lichaam en zijn eer bij Allah. Maar dat betekent niet dat het voor de moslims is toegestaan naar hem te gaan en zijn hulp te zoeken, terwijl hij zich in zijn graf bevindt. De metgezellen deden dit niet, maar in plaats daarvan maakten zij een opening in zijn kamer zodat het open onder de hemel ligt. Maar geen van hen vroeg de Profeet (vrede zij met hem) om regen, noch spraken zij met hem hierover.

 

Sheikh al-Islaam Ibn Taymiyah zegt in “Iqtidaa’ us-Siraat il-Moestaqiem” (blz. 338): “Het gaan naar graven en het richten van smeekbeden aan de overledenen en het zoeken van beantwoording van smeekbeden die daar zijn verricht, is iets dat niet is voorgeschreven door Allah of Zijn Boodschapper (vrede zij met hem). Het werd niet gedaan door de metgezellen, Taabicien of imams van de moslims. Het is niet vermeld door de vroegere geleerden of vrome mensen. In plaats daarvan is hetgeen dat hierover wordt overgeleverd afkomstig van latere mensen na de tweede eeuw van de islamitische jaartelling.

 

De metgezellen van de Boodschapper van Allah werden verschillende malen geconfronteerd met droogte en andere rampspoeden. Maar zij smeekten niet om hulp bij het graf van de Profeet! In plaats hiervan ging cOmar naar al-cAbbaas en zocht regen middels hem en middels zijn smeekbede. Hij bad niet voor regen bij het graf van de Profeet (vrede zij met hem).

 

Elders is wel overgeleverd van cAa’ishah dat zij het graf van de Profeet (vrede zij met hem) onbedekt liet, zodat hier regen op zou vallen. Dit omdat het (regen) een genade is. Maar zij bad daar niet om regen, noch zocht zij hier goddelijke hulp.”

 

Het is duidelijk dat er geen bewijs is in deze overlevering waaruit men kan afleiden dat het toegestaan is hulp te zoeken bij de Profeet, of dat men hiermee dichter bij Allah kan komen middels hem of zijn status.

 

En Allah weet het het best.

islamqa.com