Het openlijk afkeuren van het optreden van de moslimgezaghebbers

Vraag:

Weledele sheich, er wordt door sommigen gezegd dat het tot de methodologie van de vrome voorgangers behoort om openlijk je afkeur uit te spreken over de Islamitische gezaghebbers. Daarbij worden overleveringen aangehaald, zoals die van Aboe Sacied al-Khoedri waarin hij openlijk zijn verontwaardiging uitsprak over Marwaan ibnoel Hakam toen hij eerst de preek hield en pas daarna het 'Ied-gebed verrichtte.          (al-Boechari en Moeslim)

“De meest vooraanstaande onder de martelaren is een man die opstond in het bijzijn van een(moslim)despoot, hem (het goede) opdroeg en (het verwerpelijke) verbood, waarna deze hem vermoordde.”                                                           (al-Haakim, authentiek bevonden door al-Albaani)

Is dit correct? En hoe kunnen deze uitspraken verenigd worden met de andere overlevering waarin de Profeet (vrede zij met hem) zei: “Wie een advies wil uitbrengen aan een gezaghebber, laat hem dit niet openlijk doen.”                                                                                                        (Ahmad)

Vraag ontvangen op 25 maart 2007

Antwoord:

Alle lof zij Allah en vrede en zegeningen zij met Zijn Boodschapper.

Dit is een belangrijke vraag en het antwoord hierop is nog belangrijker in het licht van de recentelijke ontwikkelingen. Het behoeft geen twijfel dat het verbieden van het verwerpelijke verplicht is voor eenieder die daartoe in staat is. Zo zegt Allah (interpretatie van de betekenis):

“En laat uit jullie een gemeenschap voortkomen die uitnodigt tot het goede en oproept tot deugdzaamheid en het verwerpelijke verbiedt, en zij zijn de welslagenden.”                                                                                                                  (Soerat Aali cImraan: 104)

Ook zei de Profeet (vrede zij met hem): “Jullie zullen zeker oproepen tot het goede, het verwerpelijke verbieden, de dwaas bij de hand nemen en hem binnen de perken houden, of Allah, de Verhevene, zal jullie harten tegen elkaar uitspelen en jullie vervolgens vervloeken, zoals Hij hen (vóór jullie) heeft vervloekt.”                                                              (Aboe Daawoed)

Hiermee doelende op de vervloeking die Bani Israa’iel ten dele is gevallen. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

“Vervloekt waren degenen die ongelovig waren van de kinderen van Israël, bij monde van Daawoed en cIesaa, zoon van Maryam. Dit was omdat zij ongehoorzaam waren en (de regels)plachten te overtreden. Zij verboden elkaar het verwerpelijke niet dat zij verrichtten.”                                                                                                                 (Soerat al-Maa’idah: 78-79)

Het is echter de bedoeling de nodige wijsheid hierin te betrachten. Met andere woorden, als wij vernemen dat het beter is om openlijk onze afkeur over een moslimgezaghebber uit te spreken, waardoor iets verwerpelijks kan worden weggenomen of iets goeds kan worden bewerkstelligt, dan doen wij dit. Is het daarentegen zo dat het openlijk uitspreken van onze afkeur niets verandert aan de situatie en wellicht de woede van de moslimgezaghebber alleen doet toenemen richting de vrome mensen en verwerpenden, dan dienen wij dit heimelijk te doen. Op deze wijze zijn wij erin geslaagd om de verschillende overleveringen met elkaar te verenigen.

Wel wil ik hier attenderen op het feit dat de reden waarom een deel van deze gemeenschap is afgedwaald, te maken heeft met het aanvaarden van sommige bewijzen met uitsluiting van andere. Ongeacht of het hier nu gaat om zaken van de geloofsleer, omgangsvormen met de gezaghebbers, onderlinge contacten met de mensen enz. Middels het volgende voorbeeld zal ik dit voor jullie illustreren.

De Khawaaridj en de Moectazilah hebben zich uitsluitend gericht op de teksten waarin gesproken wordt over de bestraffingen die de pleger van grote zonden toekomen, zonder te kijken naar de andere teksten waaruit blijkt dat er nog steeds hoop voor hem is. Zo zeggen zij dat wanneer een persoon een ander bewust vermoordt, hij een ongelovige is die aanspraak maakt op het Eeuwige Vuur. Dit wat betreft de Khawaaridj. De Moectazilah daarentegen menen dat hij door deze daad buiten de Islam is getreden, maar niet in ongeloof is belandt. Hij blijft volgens hen steken in een fase tussen Islam en Koefr. Wel zeggen ook zij dat hij uiteindelijk voor eeuwig verblijft in het Vuur. De reden waarom deze groeperingen in deze fout zijn gevallen is omdat zij selectief zijn in het aanhalen van hun bewijzen en zij andere bewijzen links laten liggen waaruit blijkt dat Allah eenieder die maar ter grootte van een mosterdzaadje aan Imaan in zijn hart draagt, uiteindelijk uit het Vuur haalt en het Paradijs doet binnentreden.

Als reactie hierop ontstonden de stromingen van al-Moerdji’a en al-Qadriyyah die van mening zijn dat een persoon, ongeacht zijn zonden, als volmaakte moslim beschouwd wordt en het Vuur nooit en te nimmer zal binnentreden. Over het volgende vers:

“En wie een gelovige opzettelijk doodt, dan is zijn bestraffing het Vuur.”

                                                                       (Interpretatie van de betekenis van Soerat an-Nisaa’: 93)

Zeiden zij dat het hier een ongelovige betreft die een gelovige doodt. Beide extremen waren afgedwaald vanwege het feit dat zij de bewijzen eenzijdig belichtten…

Dit is ook het geval met het adviseren van de Islamitische gezaghebbers. Er zijn mensen die zich beperken tot een deel van de bewijzen en menen dat je altijd openlijk kritiek mag spuien over een de moslimgezaghebbers, ongeacht de gevolgen die hieruit vloeien. Ook zijn er mensen die menen dat je nooit in het openbaar je afkeur mag uitspreken over het optreden van de moslimleider en dat je dit alleen maar heimelijk mag doen.

Wij zijn van mening dat de aanwezige bewijzen niet tegenstrijdig zijn met elkander en elkaar niet bijten. Afhankelijk van de omstandigheid zal de ene keer het openlijk afkeuren de voorkeur verdienen, terwijl een andere keer het heimelijk afkeuren de voorkeur verdient. Daarbij moet rekening gehouden worden met de beste manier om het kwaad te weren en het goede te bewerkstelligen.   

En Allah weet het beter.

Sheich Mohammed ibnoe Saalih al-cOethaymien

Al-Fataawaa al-Moehimmah, blz. 835