Is Allah overal?

Vraag:

Een kind vroeg eens aan zijn vader waar Allah is. Hierop antwoordde de vader dat Allah overal is. Wat is het Islamitische oordeel over een dergelijk antwoord?

Antwoord:

Dit antwoord is incorrect en behoort tot de uitspraken die gedaan worden door de nieuwlichters 
(ahl ul-bidac), zoals al-Djahmiyyah, al-Moectazilah en degenen die in hun voetsporen traden. De correcte uitspraak waarop Ahl us-Soennah wa al-Djamaacah hanteert, is dat Allah Zich boven de hemelen, boven Zijn Troon en boven al Zijn schepselen bevindt. Zijn kennis is daarentegen overal, zoals de verzen in de Koran, de overleveringen van de Profeet (vrede zij met hem) en de consensus van de vrome voorgangers van de moslimgemeenschap ons duidelijk maken. Allah, de Verhevene, zegt (interpretatie van de betekenis):

“Voorwaar, jullie Heer is Allah, Degene Die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen. Vervolgens verhief Hij zich boven de Troon.”                             (Soerat al- Acraaf: 54)

Dit herhaalt Allah nog zes maal in andere verzen van de edele Koran.

Volgens Ahl us-Soennah is de betekenis van ‘al-Istiwaa calaa’ het zich verheffen boven de Troon, op een wijze die bij Zijn Majesteit past. Niemand behalve Allah kent de hoedanigheid hiervan. Imaam Maalik antwoordde, toen hij hierover gevraagd werd: “(de betekenis van) Het zich verheffen is bekend, de hoedanigheid is onbekend, het geloven daarin is verplicht en het vragen naar (de hoedanigheid) is nieuwlichterij.” En dit is de gemeenschappelijke uitspraak van Ahl us-Soennah, waaronder de metgezellen en de Islamitische geleerden na hen. Tevens bericht Allah, de Verhevene, in andere verzen dat Hij Zich boven de hemelen bevindt. Allah zegt wat als volgt vertaald kan worden:

“Het oordeel behoort aan Allah, de Verhevene, de Grootste.”                        (Soerat Ghaafir: 12)

En ook zegt Allah de Verhevene (interpretatie van de betekenis):

“Tot Hem stijgt het goede woord op, en de goede daad verheft dit (woord).”  
                                                                                                                             
(Soerat Faatir: 10)

Tevens zegt Allah in de Koran (interpretatie van de betekenis):

“...En Zijn Zetel strekt zich uit over de Hemelen en de Aarde en het waken over beide vermoeit Hem niet. En Hij is de Verheven, de Almachtige.”                                       (Soerat al-Baqarah: 255)

Ook zegt de Verhevene wat als volgt vertaald kan worden:

“Voelen jullie je er veilig voor dat Hij Die in de hemel is, jullie niet zal doen wegzinken in de aarde? Zij begint al te schudden! Of voelen jullie je er veilig voor dat Hij Die in de hemel is, niet een vulkanische regen over jullie zal zenden? Jullie zullen dan weten hoe (terecht) Mijn waarschuwing was.”                                                                                    (Soerat al-Moelk: 16-17)

In vele verzen van de edele Koran legt Allah uit dat Hij Zich verheven heeft boven de hemelen. En dit is het enige wat Hem betaamt, zoals Hij te kennen geeft in de verzen die dit onderwerp aanhalen. In het licht van het voorgaande kunnen wij zeggen dat de uitspraak dat Allah Zich overal zou bevinden, zoals ahl 
ul-bidac beweren, de meest valse bewering is die maar bestaat.

Deze uitspraak is de leer van al-Hoeloeliyyah (een afgedwaalde groepering die beweert dat Allah Zich in al Zijn schepselen nestelt) die bekend staat als dwalende nieuwlichters. Zij begaan hiermee ongeloof, dwalen, liegen over Allah de Verhevene en verloochenen de uitspraken van de Profeet (vrede zij met hem) waarin hij aangeeft waar Allah Zich bevindt. Zo zei hij (vrede zij met hem): “Vertrouwen jullie mij niet, terwijl ik de vertrouweling ben van Degene Die Zich boven de hemelen bevindt?”          
                                                                                                                   
(al-Boechaari en Moeslim)

En zoals hij (vrede zij met hem) te kennen geeft in de overlevering inzake zijn nachtreis en Hemelvaart 
(al-Israa' wal Micraadj) en in vele andere overleveringen.

Sheich ibnoe Baaz
Fataawa cOelamaa' il-bilaad il-haraam, blz. 219