De knieling uit dankbaarheid aan Allah

Vraag:

 

Hoe zit het met de Sadjdat ush-Shoekr, de knieling uit dankbaarheid aan Allah, voor iets dat je is overkomen?

 

Antwoord:

 

Alle lof zij Allah.

 

Je kunt de Sadjdat ush-Shoekr verrichten naar aanleiding van alles waar je blij van wordt. Hierbij maakt het niet uit of je ergens baat van hebt ondervonden of dat er moeilijkheden van je zijn afgewend. Er zijn meerdere overleveringen (Ahadieth) en vertellingen (Athaar) hierover te vinden. Er is bijvoorbeeld overgeleverd dat Aboe Bakr heeft gezegd dat de Profeet (vrede zij met hem) knielend voor Allah neerviel wanneer hij nieuws hoorde dat hem verblijdde.

(al-Boekhaarie en Moeslim)

 

In een andere overlevering verhaalt Aboe Bakr dat de Profeet eens met zijn hoofd op de schoot vancAa’ishah lag. En toen hem het nieuws bereikte dat zijn troepen de vijand hadden verslagen, stond hij daarna op en knielde voor Allah neer.

(Ahmad en al-Haakim)

 

Ook is van cAbdoerrahmaan ibn Awf het volgende overgeleverd: “De profeet vertrok naar de plek waar de Sadaqah (liefdadigheid) werd bewaard. Hij richtte zich vervolgens tot de Qiblah, knielde neer en bleef voor een lange tijd in deze positie. Hij hief daarna zijn hoofd op en zei: “Djibriel is met goed nieuws naar me toe gekomen. Hij zei: “Waarlijk, Allah, de Verhevene, zegt tegen je: “Wie zegeningen over jou geeft, hem zal Ik zegenen. En wie de vredesgroet over jou uitspreekt, hem zal Ik de vredesgroet geven.” Ik knielde daarop dankbaar voor Allah neer.”

(Ahmad)

 

Tot slot ook de volgende Athaar:

 

“Aboe Bakr knielde neer toen hij het nieuws hoorde dat Musaylimah was gedood.”

(Sacied ibn Mansoer in zijn Soenan)

 

cAli ibnoe abi Taalib knielde neer toen hij Dhoel-Thadiyah tussen de Khawaaridj vond.”

(Moesnad Imam Ahmad)

 

“Kacb ibnoe Maalik knielde in de tijd van de Profeet neer toen hem het blijde nieuws werd verkondigd dat Allah zijn berouw had geaccepteerd.”

(Er is consensus over deze vertelling)

 

(al-Ladjnat ud-Daa’imah Lil-Boehoeth il-cIlmiyyati wal-Iftaa’, boekdeel 7, blz. 266)