Het nalaten van het gezamenlijke gebed

Vraag:

 

Wat adviseert u degenen die het gezamenlijke gebed nalaten?

 

Antwoord:

 

Mijn advies aan hen is datgene wat Allah tegen zijn Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd (interpretatie van de betekenis):

 

“En als jij (O Mohammed) je onder hen bevindt en hen voorgaat in het gebed, laat dan een groep van hen met jou (in het gebed) staan en laat hen hun wapens dragen. Als zij de prosternatie (van de eerste gebedseenheid) voltooid hebben, laat hen dan hun posten achterin innemen. En laat dan de andere groep naar voren komen die nog niet gebeden heeft en met jou het gebed (van de tweede gebedseenheid) verrichten. En laat hen hun voorzorgsmaatregelen treffen en hun wapens dragen.”

(Soerat an-Nisaa’: 102)

 

Allah, de Verhevene, heeft het gezamenlijke gebed zelfs ten tijde van oorlog en strijd bevolen. Als het gezamenlijk gebed ten tijde van oorlog en strijd voorgeschreven is, wat valt dan te denken van het oordeel hierover ten tijde van veiligheid en vrede?

 

Het is tevens overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd: “Ik was voornemens om opdracht te geven tot het verrichten van de oproep tot het gebed, om vervolgens iemand aan te wijzen die het gebed zou leiden. Daarna zou ik er met een aantal personen op uittrekken, bundels brandhout meedragend, om de huizen van de achterblijvers voor het gezamenlijk gebed af te branden.”

(al-Boekhaari)

 

Het feit dat de Profeet (vrede zij met hem) voornemens was om deze zware bestraffing toe te passen op de achterblijvers geeft aan dat het nalaten van het gezamenlijk gebed een enorme zonde is. In zo’n mate dat een aantal geleerden, waaronder Sheikh ul-Islaam ibn Taymiyyah, heeft gezegd: “Wanneer een persoon het gezamenlijke gebed zonder een geldige reden nalaat, is zijn gebed niet correct. Al verricht hij alsnog dit gebed duizend maal.”

 

Het bijwonen van het gezamenlijke gebed wordt door hen tot de voorwaarden van het gebed gerekend.

 

Sheich Mohammed ibnoe Saalih al-cOethaymien

Madjmoec Fataawaa wa Rasaa’il, boekdeel 15, hoofdstuk: ‘het gezamenlijke gebed