Dient een roker weg te blijven van het gezamenlijke gebed

Vraag:

Er bestaat een correcte overlevering waarin de Profeet (vrede zij met hem) het heeft verboden de moskee te naderen voor degenen die uien, prei en knoflook hebben gegeten. Geldt deze regel ook voor alles wat een onaangename geur heeft, zoals sigaretten? Betekent dit dan ook dat de roker een legitieme reden heeft om het gezamenlijke gebed niet bij te wonen en begaat hij daardoor geen zonde?

Antwoord:

Alle lof zij Allah en vrede en zegeningen zij met de Boodschapper van Allah.

Er is overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd: “Degene die uien of knoflook heeft gegeten mag onze moskeeën niet naderen. Laat hem thuis bidden. Voorwaar, de engelen ondervinden last van datgene waar de mensen ook last van ondervinden.”                                                                                                                        (al-Boechari en Moeslim)

Bovenstaand oordeel geldt voor iedereen die een onaangename geur met zich meedraagt. Bijvoorbeeld iemand die rookt, iemand die onaangenaam ruikt uit zijn oksels of iets wat hierop lijkt. Voor hem is het afgeraden het gezamenlijke gebed bij te wonen. Hij dient weg te blijven van het gezamenlijke gebed, totdat hij zichzelf heeft ontdaan van deze geur, zover hij hiertoe in staat is en zodoende datgene na kan komen wat Allah hem heeft verplicht, namelijk het bijwonen van het gezamenlijke gebed.

Wat betreft het oordeel over het roken op zich, dit is te allen tijde verboden. Een ieder dient hiervan weg te blijven, aangezien dit ernstige schade toebrengt aan iemands geloof, gezondheid en bezit.

Moge Allah de toestand van de moslims verbeteren en hen naar het goede leiden.

Sheich ibnoe Baaz

Fataawa al-Moehimmah, blz. 348, vraag 331