Je schoonvader oom en je schoonmoeder tante noemen

Vraag:

Eén van de gewoontes die wij hanteren is dat de schoonvader oom wordt genoemd en de schoonmoeder tante. Een aantal broeders heeft tijdens een Tafsierles van Soerat an-Nisaa’ van u gehoord dat het niet toegestaan is om de schoonvader en schoonmoeder zo te noemen. Wat is een ander alternatief hiervoor? En wat is de correctheid van deze uitspraak, moge Allah uw rijkelijk belonen?

Antwoord:

Een schoonvader wordt geen oom genoemd, omdat hij volgens de islamitische Wetgeving geen oom is. Dit geldt ook voor de schoonmoeder, zij is geen tante. Het hoort niet dat een schoonvader oom wordt genoemd en een schoonmoeder tante. Zij dienen genoemd te worden naar de benaming die de mensen van kennis hun hebben gegeven en dat is al-Ashaar (schoonouders). Zij dienen dus Sihrie (mijn schoonvader) en Sihratie (mijn schoonmoeder) genoemd te worden, of vader van mijn echtgenote en moeder van mijn echtgenote.

Het is niet gewenst dat men een bepaalde religieuze naam toebedeeld krijgt, terwijl hij of zij dat niet werkelijk is. Ik heb echter niet gezegd dat het Haraam is. Wellicht heeft degene die mij heeft gehoord gedacht dat mijn uitspraak “het hoort niet” betekent dat het Haraam is.

De beste manier is dat men zaken benoemt naar de daadwerkelijke islamitisch bepaalde benaming ervan. Vandaar dat de Profeet (vrede zij met hem) het heeft afgeraden dat men Salaat ul-cIshaa’, Salaat ul-cAtamah noemt. De Profeet (vrede zij met hem) zei: “Geef jullie niet over aan de benaming van de Arabieren voor Salaat ul-cIshaa’. In het Boek van Allah staat het namelijk benoemd als al-cIshaa’.”

Zo zegt Allah, de Verhevene (interpretatie van de betekenis):

“O, jullie die geloven, laat de slaven waarover jullie beschikken en degenen onder jullie die de volwassenheid nog niet bereikt hebben, jullie bij drie gelegenheden toestemming vragen (om tot jullie te komen): voor het Fadjr gebed; wanneer jullie je gewaden afleggen voor het Dohr gebed en na het cIshaa’ gebed; de drie (gelegenheden) waarbij jullie je ontkleden.”

(Soerat an-Noer: 58)

Allah, de Verhevene, heeft in Zijn Boek geen cAtamah gezegd. Al-cAtamah betekent taalkundig: Het uitstellen van het melken van de kamelen tot het aanbreken van de donkerte.

De Profeet (vrede zij met hem) heeft het afgeraden om ons over te geven aan de benamingen van de Arabieren om zodoende een gebed te noemen naar een naam die niet door de islamitische Wetgeving zo is genoemd.

Sheikh Mohammed ibnoe Saalih al-cOethaymien
(Liqaa’ ul-Baab il-Maftoeh