Koranverzen gebruiken als spreekwoord

Vraag:

Wij horen veel mensen Koranverzen gebruiken als spreekwoorden en dergelijke, zoals de verzen (interpretatie van de betekenis): “Dat niet dik maakt, noch honger stilt.”

(Soerat al-Ghaashiyah: 7)

En (interpretatie van de betekenis):

“Uit haar hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie terug doen keren en daaruit zullen Wij jullie een andere keer opwekken.”

(Soerat Taahaa: 55)

Dit wordt gebruikt voor nuttige doeleinden en niet om te bespotten, maar is dit wel toegestaan?

Antwoord:

Alle lof zij Allah.

Er is niets mis met het citeren van Koranverzen als spreekwoorden als dat is voor een geldig doel, zoals het zeggen van: “Dit is iets dat niet dik maakt noch honger stilt”, of het zeggen van: “Uit haar hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie terug doen keren en daaruit zullen Wij jullie een andere keer opwekken.”

Dit laatste dient namelijk als vermaning voor de mensen en om hen te herinneren aan hun relatie met de aarde, van waaruit zij zijn geschapen en waarnaar zij zullen terugkeren.

Als het citeren van de Koran als een spreekwoord wordt gebruikt, en niet om er de spot mee te drijven, dan is hier niets op tegen. Maar als dit wel wordt gebruikt om er de spot mee te drijven, dan wordt dit beschouwd als een vorm van afvalligheid binnen de Islam. Want degene die de spot drijft met de Koran of met welke Woorden van Allah dan ook, treedt buiten de Islam, zoals Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

“Waren jullie de spot aan het drijven met Allah en Zijn Tekenen en Zijn Boodschapper? Verontschuldig jullie maar niet. Voorzeker, jullie zijn ongelovig geworden nadat jullie gelovig waren.”

(Soerat at-Tawbah: 65-66)

Het is essentieel dat men de Koran eert en respecteert. Dit wil nog niet zeggen dat hij deze niet kan citeren als spreekwoord op een correcte en respectvolle manier. Hier is niets mis mee. Maar het gebruiken ervan om er de spot mee te drijven, plaatst een persoon buiten de Islam.

En Allah weet het het beste.

Sheikh Saalih ibn Fawzaan al-Fawzaan
(Madjmoec ul-Fataawa Sheikh Saalih al-Fawzaan, boekdeel 1, blz.127)