Vrijstellingen bij het reizen

Vraag:

Wij werken in de stad Yanbac en gedurende onze verlofperiode bezoeken wij onze gezinnen in ons land. Zijn op ons de regels met betrekking tot reizigers van toepassing en is er een specifieke periode waarbinnen het gebed ingekort mag worden?

En vanaf welk moment zijn de regels voor een reiziger van toepassing? Is het toegestaan om het gebed samen te voegen alvorens de reis te beginnen? En dienen we de vrijwillige Rawaatib gebeden gedurende de reis te verrichten?

Antwoord:

Als Yanbac jullie woonplaats is, dan is het jullie gegeven om gedurende de reis naar jullie gezinnen gebruik te maken van de gemakken (vrijstelling) van het reizen. Dat kan bijvoorbeeld door het gebed in te korten, te eten gedurende de dagen van de Ramadan en het vegen over de sokken gedurende drie dagen. Maar als jullie je op een plek bevinden waar het gezamenlijke gebed wordt verricht, dan dienen jullie je hierbij aan te sluiten. Als jullie het gezamenlijke gebed hebben gemist of het is te ver voor jullie om bij te wonen, dan dienen jullie het gebed in te korten.

Er is, volgens de meest correcte uitspraak, geen vaste tijdsduur waarbinnen gebeden ingekort kunnen worden of na welke afstand men niet meer gerekend kan worden tot ingezetene. Hierbij geldt de voorwaarde dat men nog steeds de intentie heeft om terug te keren naar zijn land. Maar wanneer jullie de intentie nemen om jullie definitief te vestigen in deze stad, dan is het jullie niet meer gegeven om van de gemakken van een reiziger gebruik te maken. En de reis start pas wanneer de reiziger zijn woonplaats heeft verlaten en de bebouwde kom achter zich laat.

Het is ook pas toegestaan om twee gebeden samen te voegen nadat je je woonplaats hebt verlaten, tenzij je vreest dat het niet gemakkelijk zal zijn om het aansluitende gebed gedurende de reis te kunnen verrichten. Gedurende de reis komen de Rawaatib van Dhohr, Maghrib en cIshaa’ te vervallen. De andere vrijwillige gebeden blijven nog steeds voorgeschreven gedurende de reis.

Sheikh Mohammed ibnoe Saalih al-cOethaymien
(Madjmoec Fataawa ibnoe cOethaymien, boekdeel 15, blz. 346)