Geneeskunde studeren als vorm van aanbidding

Vraag:

Ik ben student Geneeskunde en het studeren kost mij veel tijd en moeite. Hierdoor heb ik erg weinig tijd om mijn geloof te bestuderen. Hoe kan ik ervoor zorgen dat mijn (medische) studie en mijn deelname hieraan een vorm van aanbidding (omwille van Allah) worden? Dit zodat Allah mij zal zegeningen en de deuren van kennis en succes voor mij zal openen, opdat ik een student word die de moslims van nut kan zijn en de Islam kan versterken. Moge Allah u belonen met het goede.

Antwoord:

Het is verplicht voor de moslim om die zaken te leren van zijn religie die noodzakelijk voor hem zijn om zijn geloof op een correcte wijze uit te oefenen. En het mag niet zo zijn dat er iets is dat hem bezighoudt en hem hiervan weerhoudt. Het studeren van Geneeskunde is een collectieve verplichting (Fard Kifaayah), terwijl het studeren van de Islam een individuele plicht (Fard cAyn) is. Dit met betrekking tot wat de moslim dient te weten (om zijn religie op de juiste wijze uit te oefenen). Daarom heeft een individuele verplichting voorrang op een collectieve verplichting.

Het is voor jou dus verplicht om die zaken van jouw geloof te leren die noodzakelijk zijn. En dit zal jou er nooit van weerhouden om Geneeskunde te studeren. Het is echter mogelijk voor jou om van jouw medische studie een vorm van aanbidding te maken. Zolang het wordt gedaan met oprechtheid enkel omwille van Allah, met de intentie dat je hiermee jezelf en de moslims wil baten en dat je doet wat de Oemmah nodig heeft op het gebied van gezondheid en het voorkomen van ziektes. Met de Wil van Allah zal jouw studie dan beschouwd worden als een vorm van aanbidding, zolang jouw intentie zuiver is.

En bij Allah ligt al het succes. Moge Allah vrede en zegeningen uitspreiden over onze Profeet Mohammed, zijn familie en metgezellen.

Permanente Commissie voor het geven van Fataawa
(Fataawa Ladjnat ud-Daa’imah lil-Boehoeth il-cIlmiyyati wal-Iftaa’, vraag 1, nr. 8849
Al-Fataawa al-Mutacalliqah bit-Tibb wa Ahkaam il-Mardhaa, blz. 178-179)